Het Constitutioneel Hof heeft zich op dinsdag 22 augustus uitgesproken over de afwezigheid van een verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak bij de rechter; hij is wel vertegenwoordigd door zijn raadsman. Het gaat om de artikelen 261 juncto 263 leden 1 en 3, 364, 366 en 369 van het wetboek van strafvordering, betreffende verstek- en verzetprocedure in het strafproces.
Het Constitutioneel Hof is van oordeel dat een deel van het artikel niet strijdig is met de Grondwet en de verdragen, terwijl het ander deel wel strijdig is bevonden. Jurist Milton Castelen, geeft aan dat het Constitutioneel Hof heeft getoetst wat de praktijk zegt en op basis daarvan een uitspraak heeft gedaan, maar dat het niet consequent is. Gloria Stirling, voorzitter van het Constitutioneel hof, voerde aan dat de uitspraak geen betrekking heeft op belangen van specifieke personen. Het gaat om de beantwoording van de abstracte vraag of het desbetreffend artikel in strijd is met de Grondwet of niet. Jurist Castelen moet zich nog diepgaand buigen over de uitspraak van het vonnis en de opgesomde beweegredenen. Echter, naar eigen zeggen, kan hij zich niet terugvinden in enkele aspecten.